Resultaten

Reacties

gebouwen en monumenten

Details

Omstreeks:

1839

Adres:

Hengelosestraat 50B

Bijdrage:

Administrator
17-05-16 10:50

Gewijzigd:

Marijn Smeehuijzen
01-07-16 16:47


Zoekwoorden:
Stoom Textielindustrie Grooten Stoom

U bent hier: Home Verhalen Gebouwen en monumenten Stoomkatoenspinnerij de “Grooten Stoom...

Stoomkatoenspinnerij de “Grooten Stoom” 1833-1890

1839

1645 x bekeken

Rond het jaar 1830 kwamen de Enschedese textielfabrikanten regelmatig bijeen in de Grote Sociëteit om wereldzaken te bespreken. Bijvoorbeeld de prijzen van katoen, calicot fijngaren en door de overheid ingestelde premies op export naar de koloniën. En natuurlijk de nieuwe spinnerij van Hofkes in Almelo, de eerste stoomspinnerij in Twente. De fijne garens die hier geproduceerd werden konden tot voor kort enkel uit Engeland geïmporteerd worden. Onder leiding van Gerrit Jan van Heek kwam er een plan voor een stoomspinnerij in Enschede. Wat nog ontbrak was een startkapitaal en kennis van de machines.

John Dixon was een Engelse uitvinder die zijn geluk buiten Groot-Brittannië was gaan zoeken. Via omzwervingen in Frankrijk belandde hij in 1830 in textielstad Gent. Koning Willem I was overtuigd van zijn belang voor de Nederlandse textielindustrie. Hij kreeg een aanstelling met ruim salaris om drie jaar lang de Gentse fabrikanten te onderwijzen in werktuigkunde. Maar de afscheiding van België gooide roet in het eten. Dixon kwam naar Nederland en ontmoette in 1833 de Enschedese fabrikeurs. Ze namen hem aan als directeur van de nieuw te bouwen stoomspinnerij. Een functie inclusief huis voor hem en zijn gezin naast de fabriek. Totale kosten schatte directeur Dixon op ƒ150.000. Met startkapitaal van de doopsgezinde gemeente, de Koning en een lening van de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd in 1833 de Enschedesche Katoenspinnerij opgericht.

Al snel ondervonden de commissarissen van de fabriek dat Dixon geen ideale kandidaat was. Zijn autoritair en opvliegend karakter zorgde ervoor dat hij vaak overhoop lag met de bedrijfscommissie. Nadat de door hem berekende kosten voor het neerzetten van de fabriek tot twee keer toe bijgesteld moesten worden - naar ƒ200.000 in totaal – gaven de commissarissen nog voor het opengaan van de fabriek openlijk aan niet meer te vertrouwen in zijn ‘goede wil en bekwaamheid’. Dixon werd ontslagen, maar aangezien niemand wist hoe een stoomspinnerij op gang te brengen werd hij tien dagen later opnieuw aangenomen.

Er werd begonnen met de bouw van een vijf verdiepingen hoge fabriek. Tweedehandse spinmachines ‘mule-jennies’ importeerde de maatschappij uit Gent. Voor aandrijvingsmachines en stoomketels werden bestellingen in Engeland gedaan. De Engelse douane lag dwars. Stoommachines mochten wettelijk niet uitgevoerd worden, om de eigen concurrentiepositie te behouden. Plaatsing van de machines liep zeven maanden vertraging op, maar toen de fabriek er in 1835 stond werd er vanaf het begin met goede winst geproduceerd. Ervaren Gentse spinners gaven het Enschedese arbeidersvolk les over gebruik van de machines. De omwonende bevolking vond het maar wat, zo’n grote fabriek naast de stad! Ze kreeg de bijnaam de “Grooten Stoom”.

Enschede had voorheen enkel handkatoenspinnerijen. In de nieuwe fabriek produceerden meer dan 10.000 mule-jenny spillen, bediend door een paar honderd arbeiders, meer en fijnere garens dan voorheen mogelijk was. De productie steeg jaarlijks met tientallen procenten. De commissarissen en John Dixon legden hun geschillen bij met openlijke dankbetuigingen. Maar slechtere tijden volgden. Een katoencrisis, met verminderde afzet in Nederlands-Oost Indië. Katoenprijzen daalden met wel 45%. Wederom was er frictie in de directie. Directeur Dixon ging regelmatig onaangekondigd op reis, verving een opzichter door zijn tweede zoon, nam een andere zoon als voorman aan en zette tegenover de fabriek met zijn zoon Charles een concurrerende spinnerij op (die als snel de “Kleinen Stoom” werd genoemd). De commissie vond dat hij zich niet aan de voorwaarden in zijn contract hield. In 1839 liep het zo hoog op dat Dixon in dagbladen openlijk zijn vertrek aankondigde en solliciteerde naar andere functies. In oktober ontsloeg de commissie hem, “in het belang der Maatschappij en de Industrie te Enschede”. Een jaar later werd zijn zoon Charles Dixon ontslagen als directeur van de “Kleinen Stoom” en vertrokken de Dixons uit Enschede.

Jan Jordaan uit Haaksbergen werd hierna aangesteld als directeur van de “Grooten Stoom”. Zijn eerste taak was het achterstallig onderhoud aan de machines – en sabotage van oud-werknemers die aan de kant van Dixon stonden – te repareren. Hij wist de productie op gang te brengen en zelfs te verhogen. Toen in 1840 wereldwijd de katoenprijzen wederom daalden schoot hij zelfs bij met eigen salaris. Om de concurrentie vanuit Engeland op de fijngarenmarkt te omzeilen werd er overgegaan op productie van grove garens voor de stabiele binnenlandmarkt en Indië. Een stap die goed uitpakte, een paar jaar later maakte het bedrijf genoeg winst om de lening van de Nederlansche Handel-Maatschappij af te betalen. Er werd gekeken naar mogelijkheden voor groei.

In 1845 nam men de “Kleinen Stoom” over, en in 1850 opende een derde spinnerij in Gronau. Andere textielbedrijven in Enschede stapten ondertussen ook over op stoomkracht. De handkatoenspinnerijen van vroeger waren verdwenen. Ook de verouderde stoomfabrieken van Hofkes hadden moeite mee te gaan met de concurrentie. Het Almeloos’ bedrijf ging failliet in 1856. Ondanks dat schuldeisers de fabrieksgebouwen als slooprijp beschouwden werden ze aangekocht door de Enschedesche Katoenspinnerij.

In 1862 ontving Enschede staatsbezoek van Koning Willem de Derde. Hierbij bezocht hij ook de “Grooten Stoom”. Een dag later legde een grote stadsbrand de binnenstad van Enschede in as. De gebouwen van de Enschedesche Katoenspinnerij bleven gespaard. Toch ging het bedrijf een jaar later onder druk van nieuwere fabrieken failliet. E. ter Kuile & Zn. nam de “Kleinen Stoom” over. Gerhd. Jannink & Zonen, wiens afgebrande fabriek in de binnenstad nooit was herbouwd, kocht de “Grooten Stoom” met inventaris en bijgebouwen. Hun fabriek in de binnenstad had de stadsbrand niet doorstaan. Erg winstgevend zou het bedrijf niet meer worden, de concurrentie van de Engelse garens bleef te hoog. Tien jaar later richtten de Janninks samen met andere fabrikanten opnieuw de Enschedesche Katoenspinnerij op. Gezamenlijk hielden ze de spinnerij tot 1890 draaiende. In dat jaar verwoestte een grote brand de fabriek. Ze zou niet meer opgebouwd worden, de aandeelhouders besloten elders een nieuwe fabriek te bouwen.



Tekst: Marijn Smeehuijzen
Geraadpleegde bronnen:

Smissaert, Jhr. Mr. H. (1906) Bijdragen tot de geschiedenis der ontwikkeling van de Twentsche Katoennijverheid
Boot, J. A. P. G. (1935) De Twentsche Katoennijverheid, 1830 – 1873
Boot, J. A. P. G. & Blonk, A. (1957) Van smiet- tot snelspoel
Stroink, L.A. (1962) Stad en land van Twente
Hesselink, B. (1983) Gerhard Jannink & Zonen te Enschede, 1853 - 1938; jaren van rationalisatie en verzet
Lintsen, H. W. (1993) Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890.

D. Jordaan D. J. G. Hzn (1957) Stichting Textielgeschiedenis. Jaarverslag 1957 - De eerste samenwerking in de Twents-Gelderse Textielindustrie

Fischer, E. J. (1981) Textielhistorische Bijdragen nr. 22 De ontwikkeling van de Twentse katoenindustrie en de toename van de arbeidsproduktiviteit tussen 1800 en 1930
Sluijck, B. C. (1960) Textielhistorische Bijdragen nr. 2 Koninklijke deelneming in “’n Kleinen Stoom” te Enschede
Schelven, A. L. van (1970) Textielhistorische Bijdragen nr. 12 De Dixons op het continent.

Arrondissements Nieuws. Tubantia (25-02-1891)

Bron: Marijn Smeehuijzen

De locatie

Het originele schilderij is in handen van de Edwina van Heek stichting.
Vermoedelijk komt het uit 1839, en wordt wisselend aan de hand van James de Rijk of L.J. Bruna toegeschreven.

Reacties

Er zijn nog geen reacties
Login om te reageren
slider

LOGIN



Wachtwoord vergeten?
registreren

REGISTREREN


terug