Resultaten

Reacties

textiel en industrie

Details

Omstreeks:

Adres:

Cromhoffsbleekweg 5

Bijdrage:

Marijn Smeehuijzen
07-03-18 11:00

Gewijzigd:

Marijn Smeehuijzen
07-03-18 11:12


Zoekwoorden:
Cromhoffsbleekweg Jannink Janninkmuseum Textielfabrieken Interview

U bent hier: Home Verhalen Textiel en industrie Interviews Janninkmuseum: Koekebakkers i...

Interviews Janninkmuseum: Koekebakkers in de Cromhoffsbleek

872 x bekeken

Typische afdakswoningen aan de Cromhoffsbleekweg, 1967.
- Stadsarchief Enschede, foto #044022

De Cromhoffsbleekweg met zicht op de Janninkfabriek, 1943.
- Stadsarchief Enschede, foto #000667

Bron: Stadsarchief Enschede

De locatie

Eind jaren ’70 werd in de voormalige Jannink textielfabriek aan de Haaksbergerstraat een textielmuseum geopend. Om inzicht te krijgen in wijze waarop mensen leefden en (samen)woonden in de arbeiderswoningen van Textielstad Enschede in de periode van circa 1900/1920 tot in de jaren 60 werden in 1982 en 1983 een aantal gesprekken met bejaarde textielarbeiders gehouden. Hoofdthema waren de drie W’s: Wonen, Werken en Welzijn. Aan de hand van de beschrijvingen werden ook themakamers in het museum ingericht . De interviews zijn afgenomen door Carla Bruynel, destijds educatief museum medewerker, en door Mieke Grobbink, zij liep stage bij het nieuwe museum.

In het volgende interview van zes januari 1983 vertelt de mevrouw Cromstra (deze en volgende namen geanonimiseerd – redactie) over de afdakswoning bij de Janninkfabriek waar zij opgroeide. Naast een beschrijving van hoe het huis ingericht was, wordt onder meer gesproken over hoe verschillende generaties van het grote gezin als textielarbeider werkten, over lolletjes in het huishouden, over een keuken zonder aanrecht, kasten, stoelen en zonder licht en water, en deelt mevrouw Cromstra een oud familierecept van ‘dikke koek’.



Ik ben geboren op 13 januari 1895 in een afdakswoning aan de Cromhoffsbleekweg, achter Jannink. Daarheb ik tot mijn 12e jaar gewoond.
Mijn vader en moeder hadden 5 kinderen aan de Cromhoffsbleekweg, de 6e is in een ander huis geboren. Ik was de 3e, zal 'k maar zeggen. 4 Kinderen van mijn moeder zijn overleden. De eerstgeborenen waren tweeling, zij hadden een gat in de rug (open ruggetje) en zij hebben nog even geleefd. En de andere baby's, ja, dat weet ik niet, die zullen wel gewoon ziek zijn geweest.
En toen had mijn moeder er 3 gehad, en toen kwam eigenlijk mijn oudste broer die dan wel in leven is gebleven, en mijn zuster. En daar is ook weer één tussen weggevallen. En toen kwam ik, 'zei de gek', en dan nog een broer, en dan nog twee broers later. Dat was in die tijd, nou is het de pil, maar toen der tijd had jij er 6 en de ander 8, dat was niet anders.

Maar we hebben een goed leven gehad, van niets kon je een lolletje maken. En melk hadden we altijd. En in de winteravond dan maakte mijn moeder een beetje chocomelk of sago. Beschuit op tafel, en dan kon je er beschuit bij eten. Met z'n zevenen, want Wim was nog een beetje klein, en dan maar een beetje ouwehoeren om de tafel heen, hè. Later toen de jongens groter werden dan deden ze kaarten, met mijn grootvader en mijn vader. Ja, wij hebben geen chagarijnig leven gehad, ondanks alles niet.

Mijn vader werkte bij de Nijverheid aan de Haaksbergerstraat. Hij was wever. Vader was asmatisch en heel veel ziek. En toen is moeder, ondanks alles, 20 jaar meegegaan naar de fabriek van Van Heek. Zij stond daar aan de verdeelstoel in de spinnerij. Opa en Oma woonden later naast ons, en die letten dan op ons. Later trokken mijn grootmoeder en mijn grootvader bij ons in huis. Mijn grootvader heeft tot 70 jaar gewerkt, daarna had hij geen inkomen meer en zodoende was dat vroeger dat ze bij elkaar introkken. Het was een hard leven en ze hadden toen niet gedacht dat ze nog zouden treuren dat de textiel voor de vlakte ging.
Ik heb ook in de fabriek gewerkt, met 12 jaar, dan was je er klaar voor. En de jongens ook, en mijn zuster.


Indeling (tek1&2)
Ons huis was één van de middelste huizen in een rij van zes. Met de deur kwam je meteen in de grote woonkamer. Daar woonde je destijds ook. Aan de rechter hand was een muur en die liep dan zo op een bedstee aan. Daar was dan een deur en daarnaast weer een bedstee. Achter de deur was een gangetje naar achteren met daar weer precies zo'n deur. Daarnaast was weer een bedstede (hoorde bij het huis). Door het gangetje, als we dan van voor naar achteren gingen dan was daar de kelder, zo noemden ze dat, want in het gangetje zat een luik en daar zat de kelder onder waar de aardappels bewaard werden.
Aan de achterkant van het huis was een keuken en een washok, dat was lager dan de woonkamer. Daar deed je de was en daar waste je jezelf. (zie tekening 1 en 2)
Achter het huis lag een straatje met gele klinkertjes waar het schuurtje en het privaat stond.


Woonkamer (tek3)
De houten deur waarmee je de woonkamer in kwam was groen. Met 2 ruitjes boven de deur. Naast de deur (rechts) zat een flink raam met 6 ruitjes. Dat raam kon niet open, later wel. Voor het raam hing een witte katoenen lap, die maakte moeder zelf. Aan weerskanten deed ze dan zo’n zoom d'r an dan hing dat niet zo slordig. En onder zaten er twee latten in en boven één dan bleef dat mooi glad hangen. En later is daar een punt aan gehaakt en die ging jaren mee.
En geraniums voor het raam, het hele raam vol.

Op de vloer lagen gele klinkers, en die werd aangeveegd, netjes, als je het eten op had. En dan hadden we wit-zand en dan werd daar wit-zand op gestrooid en dan was 't in orde. Er zat witkalk op de muren. Als die tijd dan was, om de zoveel tijd schoonmaken, dan moet gezegd worden, dat de buren altijd hielpen omdat moeder mee naar de fabriek moest.
Het plafond had houten planken met zulke balken eronder. De kleur van het hout was nogal donker. Rechts had je de kachel met zo'n hoge schoorsteen. De kachel stond een eind de kamer in. De kachel die wij hadden was zo'n rechte ronde pijp. En dan onder daar was ie wat breder, als je koude voeten had dan kon je daar zo mooi je voeten aan warmen. En boven was ie wat breder, waar moeder 'poffert' (of 'broeder') op bakte (zie recept). Dat is echt een meelspijs. Eu die moest dan heel langzaam rijzen en dan kon dat het beste op die kachel. Maar als je één zo'n puntje op had dan was je papzat.

De kachel had pootjes. In de kachel zat een deurtje en onderin een asla. En dan hadden wij een ketel en die konden we in dat deurtje zetten. Een hoed, het was net een hoed, maar dat voorstuk dat paste d'r precies voor. De hoed deed je dan in de kachel en de rand van de hoed, zal 'k maar zeggen, zat ervoor. Daar zat de steel aan. Daar kookte mijn moeder water in voor koffie of thee. Dat water ging er van boven in. Wij zeiden er een hoed tegen. Je moet een hoge hoed indenken. De rand wat je op 't hoofd hebt moet je er voor denken, breder natuurlijk, dat het goed afgedekt was (zie tekening 4a).

In de winterdag werd die kachel een eindje vooruit geschoven. Aan de kachel zat een knie (kromme kachelpijp), een pijp, en dan werd daar boven weer een knie aangedaan en dat ging in de schoorsteen (zie tekening 4a). En als het mei werd dan werd ie weer teruggeschoven onder de schoorsteen, ja, maar dan werd ie niet aangestoken. Dan werd de pijp eraf gehaald.
En daar had je ook een schoorsteenmantel omheen, en daar had je in de meeste gevallen kleinere bordjes voor staan, bont. Daar zat een valletje aan die schoorsteen.
Er werd gestookt met 'salonkolen' (grote antrecietkolen) en 'nuskolen', die smeerden meer, rookten meer.
Een ovalen gietijzeren kolenbak hebben wij ook nog gehad. Met pootjes en een paar oren d'r an. En dat werd ook nog gepoetst. Een pook en een tang waren d'r ook, allemaal van gietijzer, heel gewone dingen.

Aan de linkermuur stonden twee hoge donkerbruine houten kasten, een soort mahonie of noten (zie tekening 5). Die moest je kopen. Het waren dichte kasten met twee deuren. Eén hadden we met enen la en de ander die was met twee laden. De kasten waren ongeveer even hoog.
Op de ene stond een servies. Een servies met rode bloemen, ingewikkeld gemaakt met luxe oren d'r aan en met krullen. Dat was gekregen met trouwen of zo en dat moest daar staan. Dat gebruikten wij niet.
De andere kast was met lofwerk en daar stonden twee vazen op. Hoe die eruit zagen weet ik niet meer. In die kasten kon je linnengoed bergen. Aan de ene kant daar waren een stuk of wat planken en aan de andere kant hingen de pakken en de jurken. In de laden zat ook kleding, as je nou es kousen en sokken had, of je had eens een lap wat je één of ander mee verstellen wou of zo, allemaal die zo voor het grijpen waren, dat lag in de lade.

In de hoek (aan de rechterwand, zie tekening 3) stond ook nog zo'n kastje. Geen groot en geen klein, zo'n tussenmaat. Daar kon je nog eens een kopje inzetten of als je dan nog meer serviesgoed had.
Dat was een dichte kast met enen deur. Daar moest het dagelijkse serviesgoed in opgeborgen worden.
Het dagelijkse serviesgoed waren gewone diepe witte borden. Wij hadden witte ronde kommetjes zonder oor, om uit te drinken. Er was ook wel eens, als je iets bijzonders wou hebben, iets met een bloemetje. Ze zijn er nou nog wel, ...boerenbont. Dat was er ook, maar wij hadden gewone, die kosten een cent.

Wij hadden, dat weet ik nog heel goed, ronde tinnen lepels, mijn grootvader had die. Nou waren die al aardig gekreukeld, die waren al een mensenleven meegegaan. En dan hadden we zo'n rekje en dan hingen er boven drie in en beneden drie. Dat rekje hing aan de muur, meestal in de keuken.
De tafel stond voor het raam, en dan kon je daar zo mooi zitten. Maar de lamp hadden we wel in het midden hangen, en dat was petroleum.
Dan had je nog een nachtlichtje omdat wij kleine kinderen hadden, maar dat hebben ze later afgeschaft. Toen hadden we water met olie en daar dreef zo'n pitje in. Dat kon nooit geen gevaar, dat pitje bleef ook de hele nacht branden.

Wij hadden een hele gewone houten tafel, rechttoe-rechtaan, met een lade d'r in. Daar lag ook wel eens vaak bestek in. Wij hadden gewone vierkante rechte poten aan die tafel.
Op die tafel lag zo'n dik zeiltje en dat werd dan zo hier en daar aangetikt en dan ging daar zo'n latje omheen en dan werd dat afgeknipt. Daar stond niets op de tafel, nee zo'n slordige tafel was uit den boze.

Wij hadden stoelen met biezen matten met wel drie van die spijltjes tussen de poten. En daar waren ook armstoelen van. Boven op de stoelen zat een knop. Daar waren vier stoelen en twee grote stoelen. Aan weerszijde van de tafel stond een stoel en verder net zo als het uitkwam, aan de kant. En wie nou bij de tafel wil zitten die nam de stoel mee en ging daar zitten. Naast die bedstede stond ook wel vaak een stoel, dat was met het oog op uitkleden en aantrekken 's morgens.

Voor het raam aan de muur hing een schilderij van het laatste avondmaal en zo en bijbelplaten.
Er hing ook een foto van grootvader die 40 jaar getrouwd was. Die is nog gemaakt door 'Goudsmid'. Die bruin geverfde houten lijst heeft er altijd omheen gezeten (deze foto heeft mevr. Cromstra nog in haar bezit, met de originele lijst). Mijn grootmoeder had nog zo'n ouderwetse muts. Vroeger had je óók een muts met zo'n ring d'r aan, die hing over de schouders. Dat was een wollen muts, een 'kies'. Ik heb er zelf ook nog één opgehad. Voor kinderen had je een 'pelsmuts', ik heb ze niet gehad want ze waren nogal prijzig. Vroeger moest je altijd wat op je hoofd hebben. De zomerdag, als de zon brande, moest je nog een hoed ophebben anders kreeg je 'heswater', ik denk dat dat zonnesteek is geweest. Maar de halve tijd had je ze op de nek hangen, daar zat dan zo'n elastiek. Dat was ook zo lastig.
Eigen gebreide kousen heb ik ook nog aangehad. Dan had je zondags al wel 'lamakousen' , ja wat dat nu inhoud, die waren fijner. Daags had iedereen gebreide zwarte kousen en sokken aan.

Tussen de schoorsteen en de bedstee hadden we een klok hangen. Een 'regelateur' zeiden ze dan, met glas en een deurtje met onder een koperen plaat, een slinger. Wij moesten met de sleutel de klok opdraaien, hij liep 14 dagen, dat weet ik nog wel. Dat was ook altijd een heel proces. Maar wij waren wel ondeugend. Als die klok van slag af was dan, stond vader die klok op te draaien en dan stond ie te tellen, 1....2.... en dan stonden wij mee te tellen en dan zei ie 'jongens, hou nou es stil', en intussen was hij die tel weer kwijt. Maar dat werd toch niet kwalijk genomen, mijn vader hield veel te veel van een lolletje.

Een kinderstoel hadden we wel, zo'n ton (vgl. Ot en Sien 1904). Die was zo warm zeiden ze dan. Daar zat voor een deurtje en als 't de winterdag erg koud was dan kon je daar net als een stoof verwarmen. Die hebben we net zolang gehad als er kinderen waren.
Dan was d'r aan de rechterhand zo'n muur en die liep dan zo op een bedstee an, Daarnaast was een deur en daarnaast weer een bedstee. Vóór de bedstee zat een gewone houten deur, ik had haast gezegd als de deur aan de straat. De krukken waren ook van hout.
Onder die bedstee daar zaten die planken die eronder lagen, beddeplanken, en daar had je stro op. Maar op dat stro daar was wel een veren bed. En dan had je er een veren bed over. Ik wou d'r maar mee zeggen: je sliep wel goed.
Vroeger toen was 't allemaal stro waar je op sliep. En as het nou het jaargetijde was dat 't stro van het land afkwam, dan kwamen de boeren op de markt en dan zeiden we: 'ja, 'k moet stro voor het bed heb'n'. En dan ging dat zo per schoof en dan werd dat uitgeplonderd, dat ging naar de beesten toe as je een geit of een konijn had, of zo. En dan werd dat vers stro. Ja, dat sliep wel goed.
Dan sliep je op en onder een veren bed.

Mijn grootmoeder had een klomp, in die bedstee was ook nog zo'n voetbank, zal 'k maar zeggen, waar je 't één en ander op kon zetten als je ziek was of zo, en daar had ze een klomp staan. En dan ieder veertje wat er uit kwam dat werd in die klomp bewaard tot ter zijner tijd dat je 't weer in 't bed kon doen. Daar ging niet wat van verloren.

De beddetijk was van een dikke stof van blauw met witte vierkante blokjes. Maar daar was wel een sloop overheen wat geregeld gewassen kon worden. Met zulke bandjes kon je dat vast doen. De ene had knoopjes en de ander gewone bandjes. En dat werd wel op tijd schoongemaakt hoor!
En dan had je een peluw, daar had je ook zo'n overtrek over. En dan één of twee kussens, meestal één als je jong was. Oude mensen moesten dan wat hoger, dan werden het er twee. Onder die bedstee kon je 'eerdappel'n' bewaren. Dat liep nog door tot onder de vloerhoogte, dat hoorde, bij de kelder. De bedstee in de keuken daar kon je niets onder stoppen. Oorspronkelijk was de keuken een slaapgelegenheid en een wasgelegenheid, en dat gebruikte je maar, waar kinderen speelden of zo. De meeste tijd speelde je wel buiten, daar gaat het niet om.
En dan hadden ze allemaal land en natuurlijk moest daar hooi bij. Ze moesten allemaal hooi op de zolder hebben want dat was de winterdag toch zo warm. Nou, dan werd dat hooi buiten gedroogd en dat werd ingehaald en dat werd er maar achter ingedauwd, in de keuken. En dan werd dat later met zo'n spade, zo'n twee-tand, naar boven gestoken. Dat werd bewaard voor de winterdag, voor konijnen, voor de kippenesten, voor de geit.

De muren van de keuken waren allemaal van witkalk. Het plafond was bij ons wel geschilderd. Dat was bruin geschilderd, maar ook blauw, dat was de geliefde kleur hier in Twente. De vloer was van gele klinkertjes, later hadden ze estrikken. Daar gooiden ze dan ook al geen zand meer op, daar waren ze al wat zuiniger op. Later zijn die lopers in de mode gekomen, kokosmatten. En m'n moeder had zo'n hekel aan die dingen, en dan zeggen ze dat 't makkelijker is, nou laat ze kijken hoe zwaar dat is.
De deur was geel-bruin van kleur maar aan de buitenkant groen. Het raamwerk van de deur was aan de binnenkant zichtbaar en buiten zaten er planken aan (zie tekening 7). Er zat ook van de huisbaas geen slot op, daar had mijn vader boven zo'n grendel voor gemaakt. Dat was nog doelmatiger, zeiden ze, dan met een sleutel. Een sleutel, dat was niks waard, dan konden ze er van buiten ook in. Voor hadden we wel een slot d'r op.

Naast de achterdeur zat een klein raam want het was achter lager dan voor, daar kon je zo bij. Het raamkozijn was ook geel-bruin geverfd. Dat raam had vier ruitjes, het kon niet open, as je wat frisse lucht wou hebben moet je de deur open zetten. Buiten voor het raam was een klein schuin vensterbankje van cement, voor was dat wat meer afgewerkt. Aan de binnenkant was zo'n klein vensterbankje, zo'n plankje. Dat werd overal voor gebruikt.

Moeder kookte op een gietijzeren fornuis. Dat stond aan de rechtermuur onder de schoorsteen. Die schoorsteen was een eigengemaakte, oorspronkelijk zat er geen schoorsteen in, we hadden d'r geluk mee dat mijn oom metselaar was. Maar d'r waren d'r ook wel die in die keuken maar een gewoon gat hadden met een pijp.
Wij hadden ook een valletje aan de schoorsteen.
Onder het gietijzeren fornuis zaten pootjes onder, zo hoog wel (ongeveer 50 cm). De pootjes waren iets krom gebogen met tierelantijnen d'r aan gemaakt. Er zat een deurtje en een asla in en daarnaast een oven waar de deksel naar voren open ging. Niet dat je daar in bakte. Vroeger stopte ze de voeten d'r in als ze koude voeten hadden.
De knoppen van de deurtjes en de asla waren ook van gietijzer. Er zat bij ons fornuis geen rand omheen, wij hebben er wel een gehad daar viel alles wel af. Het was wel een eindje breder dan het eigenlijke fornuis (zie tekening 8) . Dat fornuis moest je poetsen met potlood, ja, tenminste als je 't wou onderhouden. Vrijdag's dan had de gewone man allemaal 't fornuis uit, de winterdag, dat moest koud zijn anders dan wou dat niet, dan lukte dat poetsen niet. En dan allemaal maar aan het poetsen met die fornuizen.

Op het fornuis stond een ketel met water. Daar was een ketel die plat was en een ketel met een zak. Dan kon je die ringen d'r afdoen (van het fornuis) en dan kon die ketel daar in. Dan ging dat gauwer. Een koffiezetter stond er ook, wij hadden die niet van koper, de boerenmensen wel. Van ons zal wel van blik zijn geweest (zie tekening 9). Moeder kookte uit een, gietijzeren pot, daar zat aan weerszijden zo'n boogje aan met zo'n gaatje d'r in en daar was een hengsel over. Die pot was rond van onderen. En als je dan de aardappels droog moest maken dan rammelde je die hele pot maar. Dat was een feit, tegen twaalf uur, en dan zo'n rij 6 huizen, dat was deur aan deur, dan kon je horen dat die pannen rammelden. Want die moesten op tijd op 't werk zijn, dat moest allemaal gauw, gauw gaan.

Mijn moeder deed de was in de keuken. Moeder deed twee maal wassen, dat moet ik eerlijk zeggen 't mens heeft zich afgebeuld. En de eerste keer was het met groene zeep 't wit-goed en dan was dat wat lauwer geworden en dan 't bonte goed. En in de tijd dat ze 't bonte d'r uit had, had ze de ketel weer op staan, en dan deed ze 't witte goed nog een keer in sunligt zeep. Dat werd gewassen in een houten kuip met een wasbord, dat heb ik ook nog gedaan. Daar zaten houten oren aan, soms waren die ook van ijzer. Wij hadden geloof ik ijzeren.
En dan moest het de zomerdag naar de bleek worden gebracht, op het land werd het dan gebleekt. De was hing buiten te drogen en als het regende dan moesten'er touwtjes gespannen worden in de keuken.

Verder stond er in de keuken altijd van alles en nog wat. Als kind kon je er reuze spelen, je kon er ook nog touwtje springen. Ik heb nooit geen poppenwagen gehad. Een pop wel, toen ik 'm kreeg hadden we 'm in drie dagen versleten, en wat is d'r aan te doen als je kind bent. Ik heb de pop in een schoon doosje gedaan met een touwke d'r aan, dat deed ik zelf.
Daar stonden verder geen meubels in de keuken, als je zitten wou dan moest je maar zien. Want iedereen had hooi op de zolder dus je moest toch open ruimte hebben, de keuken was meer een soort stal. En als je naar de keuken ging (als het donker was) dan moest je een petroleumlampje meenemen, zo'n peertje. Daar was anders geen licht. Dan was er in de keuken ook nog een bedstee met een houten deur ervoor. Die deur was geel-bruin geverfd en ook de deur van het washok was geel-bruin van kleur. In de keuken was ook nog een waskamer, hadden wij tenminste, naast de bedstee. Met een deur, een gewone gladde geel-bruin geverfde deur, met zo'n rand d'r langs.

Er zat oorspronkelijk geen aanrecht in, dat hebben de mensen zelf gedaan. Dat was een klein aanrechtje met een gat, naast het raam. Nou hadden wij één voorsprong: mijn moeder z'n broer was metselaar en die kon het maken. Het aanrecht was van hout.
Toen ik kind was, was daar wel een wasgelegenheid, as je nou wassen wou dan deed je de deur dicht en je zei: 'je blijft hier weg hoor!', en dan kon je je daar persoonlijk wassen, za'k maar zeggen. Meer was d'r ook niet in. Toen moest je maar een paar emmers water aanhalen bij de pomp om je te wassen. Wij hadden zinken emmers.

Voor de voordeur was een pomp. Dan moest d'r nog water gepompt worden. En dan was die pomp droog, de zomerdag als de 'wel' laag was, ja en dan had je geen water. En dan werd daar boven wat in gegooid en dan maar net zo lang pompen en dan kwam daar eindelijks weer water. Zes woningen maakten daar gebruik van, en die stond in het midden. Maar wij hebben in dat huis ook toen der tijd nog water gekregen, leidingwater en gas. In de vloer bij dat aanrecht zat een gat en daar gooide je het water maar naar buiten en dat liep wel waar God goed land gaf.
Daar boven het aanrecht heeft moeder ook later wel planken gekregen om eens een pan op te zetten, kookpannen of wat je kwijt wou. Later kwam er ook een klein kastje, maar oorspronkelijk niet.

Naast het aanrecht zat een klein raampje met zo'n plankje ervoor. Vanuit de 'kelder' kwam je met een ladder op de zolder. Die ladder moest de huisbaas bij het huis leveren. Die zolder was boven de keuken. En dan had je nog een ladder en dan had je nog een ladder en dan kon je boven de voorkamer komen. Daar waren twee zolders. Op beide zolders lag hooi, bij ons tenminste, en bij iedereen. Want ieder had wat te voeren. En dan had je de winterdag nog. En daar was een groot stuk land bij, dat moet gezegd, daar kon best een stuk gras af.
Verder stonden er op die zolders nog wat kachels die je niet weg wou doen. En mijn grootmoeder die had een 'kolomkachel'. Dat was een hele rechte kachel en daar onder zat zo’n brede voet aan en daar kon je mooi de voeten opzetten als je ze koud had. En daar boven, die hoed, kon je d’r af zetten (zie OT en Sien 1904, pag. 258-263-266).

Achter het huis lag een straatje met gele klinkertjes. Daar liep ook wel eens een goot, dat was voor de regen. Daar zat achter geen goot onder het dak van het huis, dat kletterde je zo op de straat, en daar zat wel zo'n goot dat je een beetje afvoer had. Voor was wel een echte originele goot, maar dat liep zo met een knie de straat op.
Bij ons hebben ze altijd wel een geit gehad, en kippen dat had iedereen, en konijnen. Met kerstmis dan at huis aan huis konijn of kip. Die geit kon in 't stenen schuurtje die aan de andere kant van de straat stond, achter. En dat was er ook wel op gemaakt want daar zat achter een luik in, daar kon je zo dat dier naar buiten laten, dat was echt gemaakt om een dier te houden. Bij 'Afink' hadden ze altijd een paar varkens.

Daar naast had je 't privaat, daar was zo'n houten 'tönke' en dat moest je dan nog wegbrengen, bah! En dat wou je ook niet zo dicht bij de deur hebben want dat was wel een stinkerij hoor.
Daar zat zo'n houten dichte deur voor met zo'n haakje dat kon je op slot doen. Ik heb toch ook in die tijd al privaten gezien, as je d'r op zat, zat je met de benen d'r buiten. Ja en wat doe je als kind, daar giechel je om. Dat was zo krap gemaakt, dan had je de benen buiten, die deur stond los.
Wij hadden gewoon een gemetseld ding, daar kon je de deur wel van dicht doen. En met zo'n 'tönneke' met twee deksels. Een houten deksel met een gat d'r in, daar zat je op en zo'n deksel om af te sluiten. Maar iedereen was daar zuinig op, op dat afval want dat werd allemaal naar het land vervoerd, als mest. Wij hebben al wel eens gezien, als zo'n paard stond en 't liet daar wat vallen, paardevijgen, dan kwamen ze daar en dan werd dat er allemaal bij gedaan.
Ieder huis had zijn eigen privaat.

Reacties

Er zijn nog geen reacties
Login om te reageren
slider

LOGIN



Wachtwoord vergeten?
registreren

REGISTREREN


terug