Resultaten

textiel en industrie

Details

Omstreeks:

Adres:

Mooienhof 70

Bijdrage:

Marijn Smeehuijzen
09-02-18 11:44

Gewijzigd:

Marijn Smeehuijzen
28-02-18 11:04


Zoekwoorden:
Krim Mauritsstraat Jannink Janninkmuseum Textielfabrieken Interview

U bent hier: Home Verhalen Textiel en industrie Interviews Janninkmuseum: Armoe in de Kr...

Interviews Janninkmuseum: Armoe in de Krim

1485 x bekeken

Foto uit de Krim, van 1920 tot jaren '30
Stadsarchief Enschede, fotos #008650, #010853, #009279

Bron: Stadsarchief Enschede

De locatie

Eind jaren ’70 werd in de voormalige Jannink textielfabriek aan de Haaksbergerstraat een textielmuseum geopend. Om inzicht te krijgen in wijze waarop mensen leefden en (samen)woonden in de arbeiderswoningen van Textielstad Enschede in de periode van circa 1900/1920 tot in de jaren 60 werden in 1982 en 1983 een aantal gesprekken met bejaarde textielarbeiders gehouden. Hoofdthema waren de drie W’s: Wonen, Werken en Welzijn. Aan de hand van de beschrijvingen werden ook themakamers in het museum ingericht . De interviews zijn afgenomen door Carla Bruynel, destijds educatief museum medewerker, en door Mieke Grobbink, zij liep stage bij het nieuwe museum.

In het volgende interview van negen december 1982 vertelt de heer Krimstra (deze en volgende namen geanonimiseerd – redactie) over de afdakswoning in de vooroorlogse wijk De Krim waar hij opgroeide. Naast een beschrijving van hoe het huis ingericht was, komen naarmate het gesprek vordert ook de problemen in het huishouden met armoede, alcohol en huiselijk geweld naar voren.



Inleiding
Ik ben geboren 5 maart 1908 aan de. Gertfertweg. Met 3 jaar ben ik in de Krim gekomen. In de Mauritsstraat-hoek Lindestraat. Mauritsstraat 31. Mijn vader en moeder hadden 6 kinderen, later 9. Brood verdienen voor het hele gezin was mijn taak. Venten met vis en ijs. Mijn vader was altijd dronken. Naast ons woonde mijn overgrootvader.

Indeling
We hadden voor een keuken, een vierkante keuken, woonkeuken zo noemden we dat. En achterin had je dan twee bedsteden met een deur de tussen in. En hier kon ie naar het kelderluik, zeiden we altijd, met een houten luik en 'eerdappel' n' in of andere rommel. En daar stond een ladder op, konden we naar de zolder heen. En door het kelderluik ging ie naar achteren heen waar we haringen inmaakten en wat we ook wel verhuurd hadden.
Die ruimte was net zo lang als de keuken maar daar zat dan de kelder tussen. Die ruimte was kleiner, naar achteren smaller.
En dan keek ie op de 'peerd'nstal' en de wc die we achte het huis hadden staan. (zie tekening 1 en 2).

Woonkeuken (zie tek 3)
Alle kinderjaren begint daar in dat huiske. We hadden voor een keuken, een vierkante keuken (woonkeuken), ongeveer 4 bij 4 zo ongeveer. En dan rooie stenen en grijze stenen d'r in, in 'n vierkant. En daar lei niks op, alleen 's zondags ging we efkes schoon zand halen bij de oude 'kadater'. En dan drogen we dat op een old kachelke of op 't fornuis en dan strooiden ze dat door de keuken heen, en dan hadden we zondag.
En dan was dat de woonkeuken met daar achter twee bedsteden met een deur de tussen in. Met blinden en voor, houten blinden.
Als we 's avonds naar bed heen moesten dan deed mijn vader de blinden dicht. Dat waren twee van die grote klapdeuren, gewoon van ruw hout. Die bedstee was van steen, met houten luiken er voor. En onder die bedsteden lagen beddeplanken op en daar leien we stro op en daar sliepen we op, met oude dekens en oude jassen. Lakens kenden we niet. Wij hadden strokussens. En dan onder die beddeplank daar had je een ruimte onder, daar zat niks in, daar deden we wel eens 'eerdappels', 'eerdappels' en bieten opslaan en zo.
We sliepen op planken, en bij die van Smit die hebben ze later onder in de bedstee vonden. Die was de door zakt. En onder dat muurtje dat was van steen, staatsteen en dat was aangepleisterd. En die carbitten we altijd met carbitkalk omdat we veel last van ongedierte hadden. Carbitkalk, daar witten we 't mee op. De muren waren allemaal wit. We sliepen daar in de bedstee met drie wichten aan 't voetenend en drie jongens aan 't koppenend, op stro en oude jassen. En de muren waren opteerd omdat we veel last van wandluis hadden. Zes kinderen sliepen in één bedstee. In de andere bedstee sliepen mijn vader en moeder in. Later kwam dat ledikant voor 't raam staan, een ijzeren ledikant, toen de kinderen groter waren geworden. Daar sliepen mijn vader en moeder in, onder het raam aan de overkant. We hadden later 9 kinderen, toen hebben we de bedsteden deeld.
Als mijn Va en Moe 's avonds naar bed heen gingen en ze wou’n een flauwekulletje maken dan ging die klapdeur van de bedstee dicht. Mijn vader sliep wel met een deken over, jawel, gewone molton dekens die waren bruin en rood. En ze hadden strokussens.
De buitendeur zat links en daar zat zo'n luik bovenin, zo'n kieperraam en die kon je loskleppen. Dat was een ijzeren raam met ijzeren spijlen d'r aan zoals je bij de paardenstal de voor hebt. Daar zaten wel ruitjes in. Die deur zat aan de kant, die ging naar binnen open, dat was van ruw hout, we hebben't ook wel verfd, misschien wel bruin.

Daar bij mijn grootvader (=overgrootvader) aan de bedstee daar zat ook nog een deur aan die kant, dat hebben ze dicht maakt. Dan konden we van 't ene huis in 't andere huis bij m'n grootvader komen bij d'n oude 'kadater', die woonde naast ons. Daar woonde de oude 'kadater'. Scheldnaam was 'kadater', bijnaam. Dat was m'n overgrootvader, naast ons.
Daast de deur zat het raam. Voor 't raam zat een smal vensterbankje 't was rood en 't was grijs. Met fucsias d'r voor. We hadden wel gordijnen voor 't raam. Allemaal niet, iedereen kon geen gordijnen kopen, hadden geen centen. Dat waren gewone gladde gordijnen, katoen, wit met een randje. Die kon je losschuiven. We hadden ze meestal dicht geschoven want we wouden niet dat ze d'r in konden kijken, Dat hing aan een ijzeren stang.
Daar zat ook een schoorsteen in, in het midden (rechts). Hoog en glad, dat was wit. Zo'n vierkante bak, een boezem met een smal bruin houten randje. We hadden d'r niks op staan.

We sloegen daar 's winters wel een spijker in, in dat hout en een touw langs gespannen en daar deden we dan onderboksen aan drogen en hemden en kousen en die droogden dan boven de kachel. En we deden ook wel door de hele keuken touw door heen en daar droogden we dan het goed op als 't nat was. En daar voor de schoorsteen hadden we een kachel staan. We hadden zo'n ouderwetse kachel, zo'n driepootkachel. En het fornuis hadden we onder de schoorsteen staan en als het verder koud was hadden we de kachel voor het fornuis neer zet, zo met een pijp d'r zo in. En als je dan de schoorsteen had, dan hadden de stukadoors daar een gat inmaakt in die muur daar, en de pijp ging daar voor d'r in, in die muur (zie tekening 4).

De kachel stond er zo voor, een vuurduveltje, zo'n ouderwetse pot met drie gaten d'r in, een driegatskachel. Een rond zwart kacheltje, ijzer. De zomerdag ging dat kacheltje vort.
We hadden een ouderwets zwart fornuis. D'r waren ook wel lui die d'r woonden die hadden Belgische fornuizen, die waren later weer, van die witte. Die hadden de meeste lui uit de woonwagens. We hadden een gewoon zwart gegoten ijzeren fornuis met rechte pootjes. D'r zaten vier gaten in, twee grote en twee kleine. Daar zat ook een oven in, daar heeft mijn broer een keer een kat in laten drogen en die heeft ie bijna laten verbranden.
En daar zaten ijzeren zwarte knoppen aan.
Naast het fornuis stond een kolenkit en ook een oude houten stoof met vijf gaten d'r in met zo'n tes d'r in waar ze briketten in deden om d'r onder te zetten om warme voeten te houden. Een pook was d'r ook al en een tang, allemaal van ijzer. Die stonden naast het fornuis tegen de muur aan en die leien we d'r ook wel voor. Een schöpke hadden we d'r ook bij.
Daar stond een geëmailleerde koffiekan op 't fornuis, en ook een theepot, geëmailleerd. Voor 't eten hadden we nog gewone geëmailleerde potten, ook wel ijzeren potten met zo'n handhengsel d'r aan. Die stonden meestal op 't fornuis. En een geëmailleerde waterketel en later had je ook wel waterketels die je in kon deuken, alluminium.
M'n grootvader (=overgrootvader) had een kastje naast 't fornuis staan, naast de schoorsteen, voor de bedstee, naast de kachel. Wij hadden ook een kabinet op die plaats staan. Dat was een ouderwets kabinetje met raampjes d'r voor. Daar hadden we een beetje foezel in staan (=afval van een jeneverstokerij) en een maatje, vroeger noemden we dat altijd een maatke, een maatke dit en een maatke dat, kroezen om uit de drinken en uit te schenken. Daar kon je ook mee meten, daar stonden letterkes op. Daar werd een neutke uit dronken voor het eten of zo, van tin.

Mijn moeder heeft ook nog sterke alcohol verkocht, ook nog meegemaakt, maar dat deden ze allemaal. Dat houten kabinet was met een dubbele deur met houten ruiten, kleine ruitjes. Dat was ongeveer 2 meter hoog en ongeveer 1.20 meter breed, zo iets. Onderin zaten ook deurtjes, dichte deurtjes, en daar zeten vakken in, planken, daar deden we kleren in pakken. Daar zaten houten knopjes aan.
Grootvader had ook een kabinet, een groot kabinet. Daar zaten alleen maar planken in. Midden in de keuken hing een petroleumlamp aan de zolder. Een heel ouderwetse, ik weet niet meer hoe die eruit zag. En dan later kregen we elektrisch, en als het elektrisch kapot was dan had moeder daar zo'n pitje staan, dan konden we het licht niet betalen en dan werd het licht afgesneden dan zat ie in 't donker. En dan moest ie kousen stoppen. En dan nam ie zo'n kopke en dan doe je dat kopke in de kous, in dat gat, dat trok je d'r overheen. En dan had moeder zo'n oliepitke staan met zo'n katoen en dat steekt ze aan en daar zat ze bij kousen te stoppen. Dat heb ik ook gedaan.

Onder die lamp aan de zolder had je de tafel en stoelen staan. De tafel was gewoon een vierkante houten tafel met vier poten, gewoon hout, vurenhout. En dat moest je schuren. Met zand d'r overheen want we hadden toch geen tafelkleed. Dan deden we zand d'r op gooien en dan hadden we een rond busseke en daar gingen we mee schuren, en dat schuren we d’r af.
En als we dan eten deden dan hadden we blikken borden op tafel en we hadden blikken kroesjes. Als je' nou naar de zondagsschool ging dan kreeg je dat kroesje mee en dan kon je koude melk drinken. Maar als je dat kroesje liet vallen dan was ’t kapot en dat kon niet daarom kregen we van die blikken kroesjes, of geëmailleerde. Maar vroeger hadden we veel geëmailleerde, en dan waren we bang dat we ze lieten vallen en dat je de rotzooi in de mond kreeg. We hadden ook wel van die witte kommen.

Daar in de tafel zat ook een tafella, daar deed je de lepels en vorken in. We hadden ook wel houten lepels, en vorken ook wel, later ijzeren. Met opscheppen ook houten lepels. We hadden ook wel koperen sleef en vorken en messen. En daar waren vroeger een man en een vrouw met vijf kinderen en die hadden de koperen lepel in de soep laten staan en daar hebt ze later van eten en toen hebben ze allemaal kopervergiftiging kregen en de moeder is toen storven. Voor kleine kinderen, en zo, gebruikten we houten lepels en vorken, want we waren bang dat de kinderen daarmee in de mond zich bezeerden. De houten meest voor de kinderen en de anderen voor de grote lui.
We hadden een stuk of zes stoelen d’r in staan met biezen matten d’r op. Maar we hadden ook al stoelen met gaatjes d’r in. Dat waren rechte stoelen, niks d’r op.

We hadden een klok aan de muur hangen, zo’n staartjes klok, met een slinger d’r in, en een glazen deurtje d’r voor. En we hadden bordjes langs de deur aan de muur hangen, van die telkderkes. En iets van een scheurkalender of zo. En een keer hadden we 7 borden vader komt in huis en ie is dronken en toen'vroeg ie aan mijn moeder hoe laat of ’t was, Bieka. En mijn moeder stond spek uit te bakken. En mijn vader gaat met de hamer en sloeg alle borden aan de muur kapot en smeet de tafel ondersteboven met de pap. En toen heeft ie het bed in brand gestoken. We kropen onder alle kasten, verstopten we ons. En toen later is ie in slaap gevallen en toen was alles kapot. M’n moeder had een blauw oog En we hebt nooit wat weer had, daar was geen geld meer voor.
Het plafond waren balken, bruin geverft, ik vermoed het.


Achterdeel (zie tek 5)
Achter daar was het kelderluik, daar was een houten luik, daar gooiden we 'eerdappel'n' in en andere rommel. Achter ' t kelderluik, daar was een ruimte, dat hadden we verhuurd aan Kopstra, aan Anne Kopstra en Freek met 2 kinderen. De huur was twee kwartjes of zoiets. Daar stond een ledikant in met beddegoed. Het stond aan de muur van de bedstee, aan de gladde muur. Wat dat voor een ledikant was weet ik niet meer. En ze hadden een kacheltje d'r in staan. Aan de andere kant hadden ze een gat in de muur maakt en daar hadden ze een kachel staan. Ik kan niet zeggen hoe die eruit zag. Daar hadden ze ook nog een kastje staan. Dat was een cementen vloer, daar hadden ze een biezen mat liggen. Mijn moeder had later ook een biezen mat onder de tafel, maar dat was weer later. De deur zat in 't midden met links een klein raamke en rechts een groot raam, met kleine ruitjes. Door dat raam keek je in de peerd'nstal en de wc achter het huis, van 't huis af.

Kopstra was een lompenkoopman, die lompen had ie buiten achter de schuur. Overgrootvader had achter turf in zitten, zand, briketten, hout, baggerblokken, dat zijn van die vierkante blokjes van turf. Die verkocht ie daar. Hout kleuven en zagen in stukken en dan 8 stukken voor een dubbelke, 8 turfen voor een dubbelke, 6 blokken voor een dubbelke, alles voor een dubbelke, eierkolen voor een kwartje. Overgrootvader is overleden toen ik 20 jaar was, toen was ik in dienst. Toen was hij geloof ik 97 jaar en grootmamma een paar jaar jonger. Later is Kopstra d'r uit gegaan en toen hebben we 't gebruikt om haringen in te maken. We hebben een gemetselde bak d'r in gedaan en we hadden d'r een grote lange tafel staan. En dan stond daar een kachel in en toen moesten we mosselen koken en dan opboren en inmaken in flessen.
En ik vergeet het nooit meer, toen was ik 13 of 14 jaar oud, toen moest ik de haringen altijd 'biel'n', dat ijs dat sloeg ie d'r af. En dan had je van die dunne armkes en dan moest je haringen uitwassen. Maar m'n Va zette me s'morgens om 4-5 uur al met de de blote voeten op de cementen vloer om wakker te worden, dan haalde ie me 't bed uit.


Zolder
Met de trap op 't kelderluik kon ie naar de zolder. Daar hadden we hooi op liggen en stro en daar sliep de knecht in. 6-7 jonge katten en een oude liepen daar ook rond. En daar zaten geen brandmuren tussen, als je bij ons naar de zolder ging kon je bij Steenstra in de Diezestraat de weer uit komen, daar kon je bij iedereen over de zolder lopen. En daar sliep de knecht. Ik was toen 12 jaar. En die jongen was niet helemaal 100%. Die moest ijs venten met de ijskar. Dat heb ik ook gedaan. Met de ijskar heb ik ook vent. Ik was 12 jaar oud, toen ging ik met een handkar naar Denekamp heen met haring d’r op met vis d’r op.
En dan had je vroeger 'Hütten-kloas’. En daar had ie een luik, en als d’r dan dikke vrouwen waren en dikke mannen die d'r door vielen, en die zouden slacht worden en opvreten. Ja, dat' is' eerlijk gebeurt. En dat is uitgekomen doordat een kind in de kerk, die had kleren aan, een pakje van die man die ze slacht hadden. En dan kwam ik in Denekamp aan en dan ging ik op de keien staan om 12 uur en dan kwam mijn vader en die zei: 'Doe me die centen maar, mien kind' en dan bracht hij me een grote koek mee. En hij zegt: 'Ga maar vast naar huis, kom ik oe straks na met de kar en dan kun ie d’r op zitten en dan zal ik oe wegbrengen'. En ik was halfweg Denekamp en daar was een man doodstoken, maar ik heb m’n Va nooit zien. Toen ik in huis was kwam ie dronken aan.

En Marie van Amsterdam had een winkel. Verkocht ook petroleum, voor twee cent petroleum, en snoep, een zuurbal voor een cent en dan gingen we van Enschede naar Oldenzaal 'boeskool’ halen voor de buurlui, van de Krim naar Qldenzaal, lopen. Voor een zuurbal deden we dat.
En ik ging vroeger venten in 'spitswoning', ijs venten, dan kon ik een gulden op een liter ijs verdienen. Daar kreeg ik 12 gulden, 13 gulden voor. En toen had ik er een halve liter ijs in laten zitten. En toen zei ik tegen de kindertjes: 'Haal 't er maar uit met de vingertjes'. En toen zei mijn kameraad Jan: 'hier heb je een rood zakdoekje’ en daar heb ik de centen indaan, en daar heb ik 25 cent uitgenomen en ik zei: 'Dat moei je aan m’n moeder geven, voor het eten, moet je niks zeggen anders krijg ik klappen', mijn vader dronk altijd, 'moet je maar zeggen dat ik om geld heb zitten kaarten'. En toen kwam mijn vader op de fiets d’r aan met de 'peerd'nstok'. En ikke vort, en dan kon ik bij IJspeerd achter het huis vliegen, en verstopte ik me. En m'n vader kwam daar, en ikke vort. Ik moest naar huis komen, en vroeger had ik geen onderbroekje aan, had ik niks aan, een kort wit jasje aan. En dan hadden we de handkar voor de deur staan en dan zat ik dan achter de handkar te kijken en dan zag ik mijn vader, was dronken. En 't was een uur of 12, half 1 's avonds en ik was bang. Maar later ben ik toch wel gaan slapen. M’n oudste zuster is bij een vriendinnetje gaan slapen in de Nasserstraat bij Schillink. Toen heb ik het mutske op gedaan van m'n zuster en toen ben ik tussen mijn zusters gaan liggen. Maar mijn vader heeft me er wel uit haald en heeft me de kleren zo afscheurd, hij was half dronken. En ik dacht; 'nou krijg ik klappen, hij haald de karwats op. Dan bijt ik wel op de tanden want hij zou doorhouwen’. Maar dat deed ie niet, hij had een stuk touw en dan deed ie ’t tuimelraam los en daar hing die mij zo aan ’t tuimelraam. En dan haaide ie de karwats op, en dat ging zo kets, kets, En ik heb alle 'borstkaatjes' (?) verkalkt, dat kun je nu nog zien. En toen heb ik ook drie weken niet kunnen zitten, maar we hadden wel wat te eten.


Schuur/WC
En dan had je achter het huis zo'n klein smal staatke, stoepke noemden we dat. En aan de overkant had je daar een goot langs lopen. En daar had je dan een wc staan. Een wc met een deur d'r in en zo'n tönneke had je daar in staan en daar zat zo’n houten bord op, een rond houten bord met een rond gat en daar een rond bord overheen met een knopke, van hout.
Voor het huis waar we woonden hadden we ook een gootje, dat deden we schoonhouden. Dat noemden ’guttenstroatje'. Daar piste je in, daar poepte je in en daar had je een put zitten waar het water in liep. En aan de andere kant had je aan die kant ook een put zitten. En dan Riet die woonde op d'n hoop daar en die had ruzie met die man, dat was een Belg, die deed paardentuig verkopen en touwen verkopen. En die kwam dronken in huis, en dan sloeg die vrouw die kerel op de kop met d'n toffel, klap, en dan gooide ze 't bord met eten en karbonade daar op die put en toen heb ik d'r alles afgevreten.

En daar was het vroeger zo slim, die vrouw die naast ons woonde (?) die dronk zo erg. En als Anne en Keesje, lieve kinderen, en Abel en Frits ’s middags in huis kwamen en daar moest eten komen, dan was ze zo dronken dan deed ze de pot schudden met 'eerdappel'n' en dan viel dat in de goot waar ze in poepen en pissen en dan gooide ze 't in de pot weer, in de boerenkool en dan stampte ze weer. Naast de wc had je ook nog een beetje ruimte en daar hadden wij een hok staan, een schuurtje. Daar kon je rommel in doen. En de handkar die d'r niet in kon, zetten we buiten 't huis.

Wassen deden we achter het huis, in een ronde houten kuip met een houten wasbord, kon je lekker wassen, doen de handen niet zo zeer. Later een zinken wasbord. En dan deden we achter het huis een lijn spannen, zo heen en weer ’s zomers, en ’s winters hing 't door 't hele huis.
M'n moeder was fijn katholiek, eigenlijk bent we van katholieke afkomst. Vroeger mocht je niet een protestants meisje hebben of andersom, zat de duvel tussen, flauwekul. Ze hebben mijn moeder het kind dood in de buik getrapt, zo dronken was mijn vader. En toen heb ik mijn moeder in bed legd. En dokter Jansen, de poepdokter, kwam d'r aan en die zei: 'Wat is er gebeurt’. Ja, dit en dat. En toen zat mijn vader boven op zolder te luisteren wat moeder zei. Weet je wat moeder zei? Ze was met de buik op de rand van de wastobbe vallen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties
Login om te reageren
slider

LOGIN



Wachtwoord vergeten?
registreren

REGISTREREN


terug