Resultaten

U bent hier: Home Verhalen Landschap en geografie De oude jachtbossen van Enschede

De oude jachtbossen van Enschede

448 x bekeken

'Lonnekerberg' uitgevoerd in acryl door René Roling.
Deel van een 'Wandelkaart van Enschede en Omstreken' uit 1890. (Stadsarchief Enschede, #TOP.000299)

Bron: René Roling, Stadsarchief Enschede

Het verhaal achter deze foto

In 1889 maakten de heren Benthem, Van Deinse Bloemendaal een ‘Gids van Enschede en omgeving’, behorende bij een wandelkaart van het Nederlands Onderwijs Genootschap. In het naschrift schrijven ze dat hun doel was de Enschedese jeugd lust in te boezemen met de omstreken bekend te worden, en na de vreselijke stadsbranden van 1517, 1750 en 1862 een stuk verleden vast te leggen dat anders met de stadsarchieven mee verbrand was.
Onderstaand een stuk tekst uit het boekje. Hierin wordt omschreven wordt hoe het bosgebied bij Enschede en Lonneker er voor 1900 uitzag, en hoe er met jachtvergunningen werd omgegaan.

De namen Twekkelo, Boekelo (hetgeen eene met beukenbosschen bedekte hooge streek beteekent) en Usselo (of Oslo) wijzen er op, dat deze streken in oude tijden, toen deze namen ontstonden, zeer boschrijk waren : immers de uitgang lo ziet op eene boschrijke hoogte. Doch ook in andere gedeelten van de tegenwoordige gemeenten Enschede en Lonneker werden vroeger vele bosschen aangetroffen, want behalve dat de overlevering zegt, dat, evenals een eekhoren van Oldenzaal naar het Twikkelsche bosch kon komen zonder den grond te raken door van den eenen boom op den anderen te springen, zulks ook mogelijk was van den Eekersdijk (bij Schipholt) naar den Lonnekerberg, die toen ook geheel met hout was begroeid, — wordt zulks ook door de namen van de vele boeren-erven, die op horst, holt en lo eindigen, aangewezen. Ook is er in eene oorkonde van 1188 onder meer sprake van een woud te Enschede, waarin zich vooral in de 10e eeuw vele wilde geiten, herten, wilde zwijnen, wolven en beren ophielden. Ook later, zooals bij voorbeeld in 1598 had men hier zooveel last van wolven dat er eene premie op het vangen en dooden er van gesteld werd en in 1604 waren hier veel reëen en wilde zwijnen. Het was hier dus steeds een Eldorado voor de jagers, en dat hier ook in vroegere tijden hartstochtelijke liefhebbers der jacht gevonden werden, is zeker ; immers, nadat den 26 September 1644 de steden Enschede, Goor, Delden, Ootmarsum en Rijssen geweigerd hadden het „Landrecht'’ van Overijsel aan te nemen, omdat zij dit strijdig achtten met hunne privilegiën, bevalen den 24 Maart 1646 de Gedeputeerde Staten van Overijsel, dat de ingezetenen van Enschede zich zoolang van de uitoefening van de jacht zouden onthouden, totdat zij in de vergadering van Ridderschap en Steden hun recht van jacht zouden hebben bewezen. Dat bewijs werd door een beroep op Genesis I vers 26 en 28, IX vers 2 en 3, op de aloude privilegiën, en op de, door een zestal meer dan 70-jarige ingezetenen bij eede verklaarde, gewoonte, dus volgens het Goddelijk, het Volkeren en het Burgerlijk recht, geleverd. Eene beslissing van genoemde Staten bleef achterwege en de Enschedesche buigers gingen voort met jagen.

In 1658, 1684 en 1706 herhaalde zich hetzelfde met hetzelfde gevolg dat men voortging met jagen. Ook in 1725 en later werden de jagers door de Gedeputeerde Staten lastig gevallen, echter niet weer in dien zin, dat hun het jagen geheel verboden werd. Toch beschouwde het Bestuur onzer stad het in October 1782 nog wenschelijk in den gewonen „Landdag der Heeren Staten van Overijsel” een „Betoog van „burgemeesteren, schepenen en raaden, en gemeenslieden der stad Enschede, aangaande het recht van jagt, van gericht in zaaken van de jagt, van het ijken van ellen, maaten en gewigten, en van het aanstellen van gemeenslieden der stad Enschede” in te dienen, dat met de Bijlagen 128 bladzijden 8 druks besloeg, en waarin zij met aanhaling der vroeger geleverde bewijzen een klemmend betoog hielden van het jachtrecht der ingezetenen. - Met de uitgestrekte bosschen is echter het groote wild bijna geheel verdwenen ; en ook klein wild vinden de jagers hier thans niet in overvloed. De veelvuldige aanplant van bosschen in alle deelen der Gemeente Lonneker zal zeker een gunstigen invloed hebben op den wildstand aldaar en misschien voor de jagers den gouden tijd van voorheen weder doen terugkeeren.



Bron:
Benthem, A. & Van Deinse, J.J. &Bloemendaal, S. (1890) Gids van Enschede en omgeving. Enschede: B.B. Blijdenstein

Met dank aan René Roling voor toestemming zijn schilderij te mogen plaatsen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties
Login om te reageren
slider