Resultaten

U bent hier: Home Verhalen Wijken Buurtverhalen - Opgroeien in Hogeland-Oo...

Buurtverhalen - Opgroeien in Hogeland-Oost

641 x bekeken

De Cornelis Speelmanstraat in 2017.
- Foto: Marijn Smeehuijzen

Een kaart met daarop aangegeven hoe (in Lies' beleving) de indeling van de buurten.

Bron: Marijn Smeehuijzen

Het verhaal achter deze foto

In de serie ‘Buurtverhalen’ leggen we herinneringen uit de Enschedese wijken vast. Uw buurtverhalen zijn ook welkom! Deel ze via de ‘Draag Bij’ pagina, of neem voor vragen contact met de redactie op. Vandaag het verhaal van Lies Schole, die al vanaf haar geboorte in hetzelfde huis in de Cornelis Speelmanstraat woont.

“Mijn vader is van 1900. Met zijn eerste vrouw kreeg hij twee dochters. Zij stierf in 1927 aan TBC. In die tijden was dat zo, dan ging je daar gewoon dood aan. Daarna trouwde hij met mijn moeder, en kregen ze nog twee zoons. Midden in de winter van ’49 werd ik geboren, als late nakomeling. Hier in de voorkamer, gingen de schuifdeuren gingen dicht natuurlijk. Dit gedeelte van de buurt bestond toen zo’n tien jaar.

Moeder was huisvrouw. Mijn vader had een pianozaak samen met mijn broer, ‘Schole’ aan de Lipperkerkstraat. Iedereen in de hele familie speelde, er was altijd muziek in huis! Ik zat op de kleuterschool ‘Roodkapje’, richting Varvik. Daar zaten best veel kinderen in de klas. Veertig was heel normaal in die tijd. Daarna ging ik naar de Kohnstammschool, hier drie straten verderop. Een openbare school, want we waren niet gelovig. Veel gezinnen in de straat waren katholiek. Op zondag zagen we ze naar de kerk lopen. De dames met elke week een ander hoedje op! De wijk was toen erg gescheiden, “Die zijn katholiek.” werd er dan gezegd. Daar ging je als niet-katholiek niet mee om, en omgekeerd. Dat was heel sterk. Het Twentse noaberschap, bij elkaar over de vloer komen, was hier bijna niet.

Maar als kinderen op straat kenden we weinig verschillen. Iedereen speelde met elkaar. Na de oorlog werden er veel kinderen geboren. Met een groep van in totaal toch wel 15 jongens en meisjes uit de omliggende straten speelden we op straat en op het (Van Heutz)plein. Touwtje springen, bal werpen, naar het zwembad, kijkdoos maken, fietsen… Gingen we naar de Hoge Boekelerweg, – dat was voor ons heel ver weg! – gingen we paddestoelen plukken. Zette we ze in een doos en daar maakten we een gaatje in. Dan mochten de andere kinderen in de buurt erdoor kijken… Maar dan moesten ze wel een kwartje betalen! Ja, een kwartje, wij waren erg duur, haha.

Op elke hoek van de straat zat destijds een winkel. En op elk derde of vierde huis zat wel een bedrijfje. Hier verderop sigarenzaak Kok.Die verkochten sigaren, sigaretjes en bonbons. Voor mijn vader moest ik altijd Elisabeth Bas sigaren halen. En voor mijn moeder ‘Alaska’ sigaretten. Die hadden een mondstuk en pepermuntsmaak. Verderop een forniturenzaak, daar tegenover een schoenenzaak, daar tegenover de katholieke kruidenier. En aan de andere kant de protestantse kruidenier. En een klein Albert Heintje, die mensen hadden gewoon in de voorkamer hun winkel. Op het plein wel twee kappers! Moet je je voorstellen, de woonkamer was kapsalon. Die mensen woonden in de keuken. En een straat verder zat Huckriede, die verhuurden paarden en wagens. Mijn vader heeft daar nog eens een schimmel gehuurd. Ik was toen nog heel klein, zei mijn moeder ‘Sinterklaas komt eraan!’. Kwam mijn vader verkleedt op het paard door de straat. Met mijn broers ernaast als zwarte pieten. Een straat verderop sloeg het paard op hol, die is met mijn vader erop heel hard terug gerend naar de stal!

En daarnaast had je ook nog de mensen die in de straat kwamen. De schillenboer, de voddenboer, de visboer, de groenteboer, de melkboer, de olieslager. Vereenzamen gebeurde toen niet, je zag elkaar op straat. Werden de nieuwtjes besproken. Ik weet nog dat er op het plein een gezin woonde met drie jongens. Die hadden eens een beetje teveel vuurwerk op zolder en dat is toen ontploft. Dat was natuurlijk het gesprek van de dag, “Heb je ’t al gehoord?”

Toen ging ik naar de ULO, die zat op het Wooldrik. Een sjieke buurt, met hele andere kinderen.
We zijn eens binnen geweest bij een klasgenote aan de Van ’t Hoflaan. Ja, die had een aparte studeerkamer, en een aparte kamer waar de was hing, en mooie kasten met dure dingen waar allemaal glas voor zat… Wij hadden ’t helemaal niet arm thuis, maar een kijkje in zo’n mooi huis was wel heel bijzonder. In Hogeland woonde maar één arm gezin, op het plein. Dat was voor mij vreselijk interessant. Die aten ook met kranten op tafel, terwijl mijn moeder altijd een tafelkleed had. Er gingen verhalen dat de oudste dochter hoer was, de opa was een vieze man en de zoon spoorde niet. Van mijn vader mocht ik niet meer met die kinderen spelen.

Later In de jaren ’60 waren we allemaal groupies. Hadden we allemaal verkering met een jongen van een van de vele bandjes in Enschede. Die van mij woonde helemaal aan de andere kant van de stad, richting Lonneker. Maar dat maakte niks uit, hij zat in een band daar ging het om! Mijn vader is in ’69 overleden, toen ben ik hier met mijn moeder blijven wonen. Haar heb ik tot het einde verzorgd. Ze is hier in haar eigen bedje overleden. Dus zodoende dat ik hier nog steeds zit. Mensen wonen hier sowieso heel lang. Veel kinderen heb ik op zien groeien en verhuizen, die komen nu ze ouder zijn weer terug naar Hogeland.

Op het Hogeland ben ik thuis. Ik voel me er prettig, het blijft nog een mooie wijk.Het is er rustig, mooi vlakbij het groen en vlakbij de stad. Als ik vier dagen weg ben, krijg ik al heimwee. Dan ga ik lekker weer naar huis!




Tekst: Marijn Smeehuijzen
Bron: Interview Lies Schole

Reacties

Er zijn nog geen reacties
Login om te reageren
slider